Inleiding
Anesthesie bij kinderen

Binnenkort wordt uw kind geopereerd. Bij deze operatie is verdoving (anesthesie ) nodig. De arts die uw kind de verdoving geeft is een anesthesioloog. De anesthesioloog zorgt voor:
Het toedienen van de verdoving
Het bewaken van de lichamelijke conditie van uw kind tijdens de operatie
Pijnbestrijding en eventuele andere ongemakken die zich na de operatie kunnen voordoen
Hier krijgt u meer informatie over anesthesie bij kinderen.
Voor algemene informatie over de algehele anesthesie, kunt u ook de divi algehele anesthesie bekijken.
Voorbereiding
Bereidt uw kind voor en houdt u aan onderstaande instructies
Gezondheid van uw kind

Als uw kind in de dagen voor de operatie ziek is, koorts heeft of benauwd is, is het verstandig om contact op te nemen met het ziekenhuis om te overleggen of de operatie door kan gaan.
Nuchter zijn: niet eten en drinken

Het is belangrijk dat u zich precies aan de afspraken voor het nuchter zijn houdt!
Laat uw kind alleen maar eten of drinken wat als toegestaan vermeld staat. Deze afspraken staan verderop in deze divi of kunt u lezen in de divi: Nuchter zijn.
Laat uw kind niet meer eten of drinken na de genoemde tijden.
Heeft u of uw kind zich niet aan de afspraken gehouden, dan kan het zijn dat de operatie of behandeling uitgesteld moet worden. Dit is in het belang van de veiligheid rondom de anesthesie.
Medicijnen

In de brief die u van de pre-operatieve screening heeft gekregen, staan de afspraken over de medicatie van uw kind.
Als uw kind de medicijnen op de dag van de operatie moet innemen, dan mag dat op de normale tijden met een slokje water.
Horloges, sieraden en piercings

Uw kind mag geen horloge, sieraden, piercings, brillen en contactlenzen dragen. Plak ook geen pleister of tape op een sieraad. Dit is geen veilige oplossing en mag daarom niet.
Een gehoorapparaat of bril moeten ook af tijdens een narcose, maar als het nodig is kan uw kind deze zo lang mogelijk bij zich houden.
Geen make-up of dag- en nachtcrèmes

Verwijder voor de operatie make-up, en dag- en nachtcrèmes. Nagellak of kunstnagels mogen blijven zitten.
Gebit

Bij het inbrengen van het beademingsbuisje kunnen tanden beschadigen. Daarom is het belangrijk om het door te geven als uw kind een slecht gebit of loszittende tanden heeft.
Uw kind mag geen beugels dragen die hij of zij uit de mond kan halen.
Roken of vapen (e-sigaret)

Rookt of vapet uw kind? Door het roken of vapen kan er slijm in de luchtwegen vrijkomen. Hier kan uw kind last van krijgen na de operatie. Stop daarom zes weken voor de operatie met roken of vapen. Ook voor de genezing is het beter dat uw kind stopt met roken of vapen.
EMLA-pleister
Bij grotere kinderen worden, net als bij volwassenen, de narcosemiddelen toegediend via een infuus in de arm of hand. Daarbij kan van tevoren een pleister met verdovende zalf geplakt worden (EMLA-pleister), zodat het inbrengen van het infuus minder gevoeld wordt.
Als dit met u of uw kind afgesproken is, dan heeft u deze pleisters en de instucties via de post ontvangen bij de brief van de pre-operatieve screening.
Operatiejas
Voordat de operatie begint, krijgt uw kind een operatiejasje. Uw kind mag zijn of haar eigen kleding uittrekken en het operatiejasje aantrekken.
Eén ouder in de operatiekamer
Eén van beide ouders kan bij het beginnen van de narcose aanwezig zijn. Dit is om uw kind een vertrouwd en gerust gevoel te geven bij het onder narcose gaan. De ouder die meegaat naar de operatiekamer krijgt een blauw pak aan en een operatiemuts op.
Als er speciale omstandigheden zijn waardoor dit niet mogelijk is, dan wordt dit met u besproken door de anesthesioloog.
Soms zijn er omstandigheden waarbij het beter is dat u niet met uw kind meegaat naar de operatiekamer:
Bij bepaalde medische redenen, zoals zwangerschap, latexallergie, open wonden, diarree of ontstekingen (zoals steenpuisten)
Als u in de operatiekamer zijn zelf stressvol vindt of bang bent om flauw te vallen
Als uw kind aangeeft dat het niet nodig is dat u meegaat
Nuchter zijn
Volg de instructies goed op
Als uw kind zich niet goed aan de instructies voor het nuchter zijn houdt, dan kan het zijn dat de operatie of behandeling uitgesteld moet worden.
Nuchter zijn: meldingstijd

Wanneer uw kind voor het laatst nog mag eten of drinken voor een operatie of behandeling, is afhankelijk van de meldingstijd.
Dit is dus niet het tijdstip van de operatie, maar de tijd waarop uw kind zich in het ziekenhuis moet melden.
Als u de meldingstijd weet, kunt u hieronder lezen tot hoelaat uw kind nog mag eten en tot hoelaat uw kind nog mag drinken en wat precies.
Nuchter zijn: instructies voor kinderen (tot en met 17 jaar)

De dag vóór de operatie mag uw kind normaal eten en drinken
Op de dag van de operatie mag uw kind tot uiterlijk zes uren vóór de meldingstijd nog een licht ontbijt: brood, ontbijtkoek, beschuit, crackers, zoet beleg, fruit of zuivelproducten (zoals boter, kaas, yoghurt, melk, flesvoeding of borstvoeding). Geen vlees, vet of gebakken voedsel
Vanaf zes uren voor de meldingstijd niets meer eten
Vanaf vijf uren voor de meldingstijd geen flesvoeding
Vanaf drie uren voor de meldingstijd geen borstvoeding
Drinken mag tot de meldingstijd, maximaal een half glas (100 ml) per uur: water, limonade, thee of koffie zonder melk, heldere vruchtensap. Geen melkproducten of vruchtvlees
Bij aankomst in het ziekenhuis krijgt uw kind nog een beetje drinken aangeboden om direct op te drinken. Daarna is drinken tot de operatie of behandeling niet meer toegestaan
Route voor kinderen.
Voordat uw kind naar de operatiekamer gaat, zijn er op de afdeling voorbereidingen gedaan. Heel belangrijk is dat uw kind vanaf een bepaald tijdstip niet meer heeft gegeten en gedronken. Daarnaast is uw kind, indien mogelijk, naar de wc gegaan om te plassen. Ook zijn sierraden afgedaan en is een operatiejasje aangetrokken.
Route voor kinderen: voor en na de operatie.
Onder narcose brengen
Soms bepaalt de anesthesioloog welke methode van onder narcose brengen voor uw kind het veiligst en meest geschikt is. Soms mag uw kind zelf kiezen tussen een kapje of een infuus.
Het onder narcose brengen gebeurt in de operatiekamer.
Verschillende soorten anesthesie

Er zijn verschillende soorten anesthesie:
Algehele anesthesie:
Uw kind is tijdelijk buiten bewustzijn (onder narcose)
Via een kapje of een infuus
Plaatselijke of regionale anesthesie:
De anesthesioloog maakt een bepaald gedeelte van het lichaam gevoelloos
Wordt bij kleinere kinderen zelden gebruikt
Bij sommige ingrepen kan regionale anesthesie gegeven worden als uw kind al onder narcose is.
Algehele anesthesie (narcose) via een kapje
Bij kleine kinderen kan het het moeilijk zijn om de arm goed genoeg stil te houden voor het prikken van het infuus. Daarom worden zij meestal in slaap gebracht door ze via een kapje te laten ademen, waaruit narcosegas stroomt.
Als uw kind met een kapje onder narcose gebracht wordt, kan het zijn dat uw kind onder narcose nog een infuus krijgt om tijdens de operatie zo nodig medicijnen te kunnen toedienen. Dit is afhankelijk van het soort operatie.
Wat kunt u verwachten bij narcose via een kapje?
Nadat er verplichte controlevragen zijn gesteld, kan de narcose beginnen.
Soms worden er eerst een aantal kabels aangesloten voor bewaking van de vitale lichaamsfuncties. Soms gebeurt dit pas als uw kind slaapt
Het kapje waar narcosegas uitkomt wordt over de neus en mond van uw kind gezet. Dit moet goed op zijn plaats blijven zodat het in slaap vallen snel en veilig gaat
Al snel wordt uw kind slaperig. Het is mogelijk dat uw kind dan de ogen wegdraait, onwillekeurige bewegingen maakt, probeert te zitten of onregelmatig gaat ademhalen. Uw kind merkt hier niets van
De anesthesioloog laat u weten wanneer het tijd voor u is om de operatiekamer te verlaten
Geur van het narcosegas

Veel kinderen vinden het narcosegas onprettig ruiken. Soms kan uw kind hiervan onrustig worden (kapje wegduwen, huilen, roepen, hoesten). Wij kunnen u dan vragen de handen van uw kind stevig vast te houden. Soms is het nodig dat wij uw kind vasthouden zodat het kapje niet weggetrokken kan worden.
Algehele anesthesie (narcose) via een infuus
Bij grotere kinderen worden, net als bij volwassenen, de narcosemiddelen toegediend via een infuus in de hand of de arm.
Er kan van tevoren een pleister met verdovende zalf (EMLA-pleister) geplakt worden. Het inbrengen van het infuus wordt dan minder gevoeld.
Wat kunt u verwachten bij narcose via een infuus?
Soms worden er eerst een aantal kabels aangesloten voor bewaking van de vitale lichaamsfuncties. Soms gebeurt dit pas als uw kind slaapt
Voor het aanbrengen van het infuus worden de pleisters met verdovende zalf verwijderd en krijgt uw kind tijdelijk een strakke band om de arm
Het is belangrijk dat uw kind de arm tijdens het prikken even goed stilhoudt
Door de pleisters met verdovende zalf is het prikken minder pijnlijk. Uw kind voelt het nog wel
Na het prikken van het infuus wordt deze vastgeplakt met een speciale pleister en steekt alleen het dopje nog uit
Soms wordt op het infuus een zak vocht aangesloten
Nadat er verplichte controle vragen zijn gesteld, worden de narcosemiddelen door het infuus ingespoten.
Soms is het nodig tijdens het inspuiten nog wat zuurstof toe te dienen via een kapje op het gezicht
Tijdens het inspuiten van de narcosemiddelen kan uw kind onduidelijk gaan praten, met de ogen wegdraaien, slap worden of oppervlakkiger gaan ademhalen
De medicijnen kunnen en kortdurend prikkend gevoel in de arm geven. Al erg snel is uw kind daarna in een diepe slaap
Daarna wordt het kapje met zuurstof op het gezicht geplaatst om de ademhaling verder te controleren
De anesthesioloog laat u weten wanneer het tijd voor u is om de operatiekamer te verlaten
Uw kind helpen tijdens het onder narcose gaan
Het is belangrijk dat u zelf kalm blijft en rust uitstraalt
U mag dicht bij uw kind gaan staan of uw hoofd dicht bij uw kind houden
U kunt doen wat u normaal thuis ook doet als u uw kind troost
U kunt tegen uw kind praten of zingen
U kunt de hand van uw kind vasthouden of het gezicht strelen.
Controle tijdens de operatie
Tijdens de operatie blijft de anesthesioloog en/of de anesthesiemedewerker voortdurend bij uw kind, om de functies van het lichaam van uw kind te bewaken. De bloedsomloop en ademhaling kunnen zo nodig worden bijgestuurd en er worden medicijnen toegediend om de narcose te onderhouden.
Na de operatie
Na de operatie gaat uw kind naar de uitslaapkamer. U kunt als u dat wilt bij uw kind zijn op de uitslaapkamer. U wordt geroepen zodra de medische toestand van uw kind dat toelaat. Dit is voor iedere ingreep en voor ieder kind anders.
De uitslaapkamer (verkoever/recovery)
Op de uitslaapkamer werken gespecialiseerde verpleegkundigen die samen met de anesthesioloog steeds controleren hoe het met uw kind gaat.
Na het ontwaken uit de narcose kan uw kind nog enige tijd onrustig, overstuur en/of gedesoriënteerd zijn.
Zodra uw kind voldoende wakker is en de algemene conditie stabiel en veilig is, mag uw kind terug naar de verpleegafdeling.
Goed om te weten
Een aantal belangrijke zaken:

Als u gevraagd wordt om de ruimte te verlaten moet u dit ook doen. Dan kan de zorg volledig naar uw kind gaan
Zodra de toediening van de narcose begint, moet dit vanwege de veiligheid ook doorgaan. Als uw kind zich verzet, zal uw kind met (zo mogelijk zachte) dwang worden tegengehouden
Het kan voorkomen dat de gemaakte afspraak over een kapje of een infuus op de operatiedag moet worden aangepast. Dit wordt dan door de anesthesioloog met u besproken
Het is niet toegestaan foto's of video's te maken op de operatie afdeling of de uitslaapkamer. Dit is vanwege privacy van andere patiënten en medewerkers.
Nazorg
Pijn
Is de verdoving uitgewerkt? Dan kan uw kind pijn krijgen. Dat hoeft niet erg te zijn. Zorg ervoor dat uw kind het geopereerde lichaamsdeel rust geeft. Hierdoor kan het genezen. Uw kind moet de pijn wel aankunnen en moet goed kunnen ademen en slapen. Overleg anders met de arts van uw kind.
Uw anesthesioloog vertelt de andere zorgverleners welke medicijnen uw kind mag hebben. Ook bespreken zij hoe vaak uw kind medicijnen mag.
Na de ingreep kan uw kind last hebben van spierpijn en pijnlijke gewrichten. Meestal komt dit door de houding waarin uw kind heeft gelegen tijdens de ingreep.
Keelpijn
Na de operatie kan uw kind keelpijn hebben. Dit kan komen door de beademingsbuis die in de keel zat, en verdwijnt vanzelf binnen een paar dagen.
Misselijkheid en braken
Als uw kind bij een vorige narcose misselijk is geweest of snel wagenziek is, dan heeft uw kind een grotere kans hierop. In dat geval worden er al tijdens de narcose middelen gegeven om de kans op misselijkheid kleiner te maken.
Plassen

Soms lukt het niet om te plassen. Dit kan komen door een verdoving, zoals een ruggenprik. Maar het kan ook door de narcose of door de sterke pijnstillers komen. Het kan schadelijk zijn als de blaas te vol raakt.
We kijken dan met een speciaal apparaatje of de blaas niet te vol is.
Lukt het uw kind niet om zelf te plassen? Dan brengen we een slangetje via de plasbuis in de blaas. Zo maken we de blaas leeg.
Slaperigheid
Na een verdoving kan uw kind nog enkele uren slaperig zijn. Het is daarom goed dat uw kind rustig de tijd neemt om uit te slapen.
Niet deelnemen aan het verkeer
De eerste 24 uur na de ingreep mag uw kind niet actief deelnemen aan het verkeer. Uw kind is in geval van een ongeval misschien niet verzekerd.
Niet alleen thuis
Zorg er voor dat uw kind de eerste 24 uur na de ingreep niet alleen thuis is.
Eten en drinken
Vlak na de operatie mag uw kind niet alles eten en drinken. Hierdoor kan uw kind namelijk sneller misselijk worden. De meeste kinderen mogen wel een waterijsje hebben. De lippen van uw kind mogen ook vochtig gemaakt worden. Als het van de arts mag, dan kan uw kind kleine slokjes water drinken. Als dit niet mag, dan krijgt uw kind vocht via het infuus.
Risico's en complicaties
Na een operatie kan uw kind problemen krijgen. Deze problemen noemen we complicaties. Hier vindt u informatie over wat de complicaties kunnen zijn.
Risico’s en complicaties

Aan alle medische ingrepen zitten risico's. Welke risico's dit zijn hangt af van:
De conditie van uw kind
De leeftijd
De leefgewoonten
Overige punten, bijvoorbeeld van de ingreep of ziektes die uw kind heeft
Over het algemeen komen complicaties bijna niet voor. Zelfs niet bij ernstig zieke patiënten en bij spoedoperaties. Doordat uw kind goed in de gaten wordt gehouden, kan de anesthesioloog problemen meteen oplossen en behandelen.
Mogelijke problemen na de operatie

Blauwe plekken en ontstekingen. Dit kan uw kind krijgen bij de plek waar de naalden en katheters in de huid komen
Een hese stem of keelpijn. Dit kan komen door de beademingsbuis die in de keel zat
Schade aan tanden en tandprothesen door het inbrengen van de beademingsbuis
Misselijkheid
Overgeven
Gevoel van warme en zware armen of benen
Een allergische reactie, bijvoorbeeld met huiduitslag en jeuk. Heel soms komt een ernstige allergische reactie voor. Hierbij kan een hartstilstand of ademstilstand optreden. Er wordt altijd rekening gehouden met bekende allergieën van uw kind
Heel soms beschadigen zenuwen. Dit kan komen door prikken of een verkeerde ligging
Maaginhoud in de luchtwegen. Hierdoor kunnen ademhalingsproblemen ontstaan. Als u zich aan de nuchterheidsregels voor uw kind houdt, is dit een zeldzame complicatie
Contact opnemen
Contact

Voor vragen kunt u ons bereiken via de polikliniek Preoperatieve screening/ anesthesie: 0512-588380.
Wijzigingen in medicatie kunt u doorgeven aan het Apotheek Service Punt: 0512-588782.